Een kakikleurig mantelpakje

Mama is dood. Het is woensdagmorgen 11 februari 1987. Om vijf uur word ik wakker gemaakt uit een onrustige slaap. Ik had vannacht nog aan haar bed gestaan. Wist niet meer wat te zeggen. Misschien hoefde ik ook wel niets meer te zeggen. Ze lag daar zo stil en rustig. Ze wilde niet meer. Ze wilde naar haar God waar ze heilig in geloofde. Ik gunde dat haar. Ze was zo ziek, zo verzwakt. De kanker had haar lichaam kapot gemaakt. Maar het is altijd onverwacht als het dan toch ineens zo ver is. Papa vertelt dat mama dood is. Hij huilt. Ik niet. Ik kan niet huilen. Ik zie hoe hij lijdt. Wil hem troosten maar vind op dat moment niet de goede woorden.

Het wordt licht. De dag begint. Het huis stroomt vol met familie. Veel familie. Iedereen bedoelt het goed maar ik zou het liefst alleen zijn. Dat gaat blijkbaar niet. Er moet veel gebeuren. De begrafenisondernemer komt binnen en even daarna de dominee. Er wordt gesproken over de tekst van de rouwkaart, de advertentie, de inhoud en de liturgie van de kerkdienst. Het is te druk om iets te voelen, ergens over na te denken. De dag vliegt voorbij. Mama wordt bij ons weggehaald. Ze zal worden opgebaard. Ik help mee waar ik kan. Blij iets te doen te hebben. De laatste weken hebben immers vooral bestaan uit wachten, wachten op een einde dat onherroepelijk zou komen. We praatten er niet veel over maar wisten het allemaal.

Ik voel me schuldig omdat ik niet wanhopig ben van verdriet, omdat ik in staat ben rationeel te denken, dingen te regelen. Ik trek me terug op mijn kamer en huil, ik wil huilen, voelen. Diep in mijn hart voel ik intussen ook opluchting. Omdat het lange wachten voorbij is. Voor haar? Voor mij? Ik zeg maar niet wat ik voel, bang dat men mij egoïstisch vindt.

De volgende dag verloopt het zelfde als de vorige. Ik wil weg. Winkelen. Over een paar dagen wordt mama begraven en ik weet niet wat ik aan moet. Ik heb niets dat past bij wat ik voel en wil laten zien. Voor een ander misschien twee totaal verschillende dingen maar niet voor mij. Ik voel me deze dagen heel erg de oudste dochter, ik wil kalmte uitstralen en voel me ook zo. Ik wil geen medelijden. Van niemand.

Ik ga de stad in. Geld speelt geen rol. Ik moet iets vinden dat past bij mijn stemming. Ik kom in winkels waar ik vaker spullen koop, in winkels waar ik anders nooit kom maar vind niets. Paniek! Dan zie ik een nieuw, hip boetiekje. Ik bekijk alles zorgvuldig en als een vriendelijke verkoopster mij vraagt wat ik nodig heb, vertel ik dat ik iets nodig heb voor een begrafenis. Ik vertel niet dat mijn moeder dood is.

 Ze laat me van alles zien, er is niets van mijn gading bij. Dan laat ze mij als laatste een linnen kakikleurig mantelpakje zien. Een rok tot op de knie, een lang, enigszins getailleerd colbert dat over mijn heupen valt. Ik kan het eigenlijk niet betalen maar als ik het aantrek, voel ik dat het goed is. Het is stijlvol maar niet too much. Zakelijk maar niet te koel. De kleur is rustig, geen zwart maar dat past ook niet bij ons, te dramatisch. Ik besluit het te kopen maar ben nog niet klaar. Ik moet er nog iets onder dragen. Het zijn de jaren van de blouses, hooggesloten, keurig. Ik kies voor een zeeblauwe blouse. Samen met zwarte pumps en huidkleurige panty’s maakt deze aankoop het plaatje dat ik in mijn hoofd heb compleet.

 Die zaterdag, twee dagen later, hebben we mama begraven. Ik ben die ochtend vroeg opgestaan. Mijn nieuwe kleren voelden koel en schoon aan, een veilig omhulsel. Staand voor de spiegel, voel ik me rustig worden. Ik weet dat ik het aankan. Ook deze dag kom ik door. Ik zal zijn wat ik wil zijn, niet omdat een ander dat van mij verwacht maar om wat ik van mezelf verwacht. Omdat dat is wie ik ben.

Bij de kerkdienst en de begrafenis daarna zijn veel mensen. Ook al mijn vrienden en vriendinnen. Mensen huilen, ook mensen die haar nauwelijks kennen. Ik denk: waarom huilen jullie eigenlijk, jullie kennen haar niet. Als er al iemand mag huilen, ben ik dat wel. Maar bij mij kwamen er nauwelijks tranen. Wel kijk ik zo nu en dan naar boven en vraag me af wat mama zou denken als ze ons allemaal zo zou kunnen zien, daar boven in de hemel. Mijn mantelpakje beschermt me.

Dat mantelpakje heb ik lang gedragen, ook al droeg ik het tijdens de begrafenis van mijn moeder. En hoe kon dat ook, het had me immers moed gegeven. Ook wilde ik het niet bewaren als een soort relikwie. Ik wilde verder leven. Ik heb het gedragen tot het bijna versleten was. Het jasje op een spijkerbroek, het rokje met andere truitjes of blouses. Uiteindelijk heb ik het jasje weg moeten gooien. Ik droeg het toen ik mijn haar liet laten kleuren en er per ongeluk een klodder haarverf op de kraag terecht kwam waardoor de stof onherstelbaar beschadigd werd. Niemand kon er iets aan doen maar ik ben huilend naar huis gefietst.

Ook nu voel ik weer de emotie die hoort bij dit kledingstuk en dat geeft niet. Ik was geen kind meer toen maar soms toch ook nog even wel. Of ik het goed heb gedaan? Ik weet het niet maar vaak kijk ik nog even naar boven om me er van te vergewissen dat er iemand een klein beetje met me meekijkt.

Ik wens iedereen veel mooie herinneringen toe!

 Jellie Tiemersma

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *